Voorpagina
Het zakje van Krotwaar - door Marc Papanikitas

“Pieter Mans” zei de jongen die voor me in de rij stond tegen de mevrouw achter de tafel. Ze glimlachte vriendelijk, draaide zich om en zocht in de dozen waar de eerste letters van de achternamen stonden opgeschreven van de atleten die waren ingeschreven. Dozen vol gele plastiek tasjes. Wij stonden in de rij bij de dozen met de letters M, N, O, P. Links en rechts van ons stonden ook rijen met atleten te wachten, als vanzelfsprekend bij de dozen waar hun letter van hun naam bij hoorde.

Het duurde even, en we zagen de mevrouw morrelen in de verkeerde doos. Die met de P.

“Mevrouw, mevrouw, het is Pieter Mans” zei de vrolijk en ontspannen ogende kerel op een bescheiden toontje.

“Nou, nou" antwoordde ze, "jouw tasje zit er niet bij. Pietermans zei u?”

“Neen Pieter Mans. Mans is de achternaam, u moet zoeken bij de M”

“Oooow, ooow”, lachte de mevrouw verontschuldigend terug. “Dat had ik helemaal verkeerd begrepen”

Ze keerde zich weer naar de dozen en in een mum van tijd had ze het juiste zakje vast. Ze overhandigde het ding aan de jongen. Een tasje met zijn nummer en chip voor de 60km, een mooi rood T-shirt en een textielen rugzakje.

Onverstoorbaar glimlachend keek ze me vragend aan.

“Krotwaar, Luc Krotwaar” zei ik en keek met een kwajongensblik naar haar.

Alle hoofden draaiden mijn richting uit. Keelschrapen, gegniffel en gelach.

Nietsvermoedend draaide ze zich weer om en ging zoeken in de dozen van de rij links van me. Het kwam niet in haar op om me te attenderen op het feit dat ik in de verkeerde rij stond. Ze grabbelde gretig in de doos waar de letter K op stond en even later kwam ze aanzetten met het zakje van Luc Krotwaar. Schatergelach alom toen ik zei: “Nou, dan heb ik hem nu alvast al bij z’n zakje”

Niet begrijpend keek ze in het rond, hopend op enige verklaring voor de lachende menigte. Ik gaf haar het zakje terug en zei: “Het was maar een grapje, mijn naam is Marc Papanikitas”

Ze keek me een tijdje onderzoekend aan en iedereen wachtte gespannen op haar reactie.

“Meen je dat nou?” vroeg ze.

“Ja hoor, echt waar. Ik ben Marc Papanikitas”

Ze draaide zich om en moffelde het tasje van Krotwaar weer in de juiste doos. Vervolgens stapte ze naar de doos waar de letter P op stond en zocht naar mijn tasje. Op het moment dat ik mijn tasje dat ze me aanreikte wilde pakken, trok ze het terug.

“Dat doe je me nooit meer aan” zei ze met een gespeelde ernst. “Want anders…..”

“Anders mag ik nooit meer terugkomen?” gaf ik haar snel van repliek

“Nou, neen hoor, ik zie je graag terugkomen” herpakte ze zich snel.

Een knipoog en een kus in haar richting en ik verdween, want ik voelde het ongeduld van de wachtenden achter mij. Dit had lang genoeg geduurd.

Ik was ongewoon gespannen. Ik word oud. Texel is om de twee jaar. De nieuwe generatie staat te trappelen om de fossielen die we zijn te verwijzen naar het museum. Het was ongewoon warm, niet mijn ding. Dat heeft het verleden al bewezen. Had ik me kunnen terugtrekken dan had ik het gedaan. Het heeft niet mogen zijn. Na 22km was het over. Na 35km stond ik te kotsen achter een 4x4 in de Texelse duinen. Het is balen. Ik had geschiedenis kunnen schrijven. Winnen, een topper verslaan en de schoen voor eeuwig en altijd binnenhalen. Nu blijf ik achter met een grote deceptie.

Er is een tijd geweest dat ik na zo’n falen naar huis reed met de gedachte me tegen een brugpijler te pletter te knallen. Dat is gelukkig over, ook al blijf ik verliezen moeilijk vinden.

Misschien leest hij dit, misschien ook niet. Maar als het wel zo is, dan komt meer dan waarschijnlijk de onherroepelijke gedachte bij Luc op: “Wie had nou wie bij z’n zakje?”