| H2O - door Marc Papanikitas |
|
Het kost hem blijkbaar geen moeite, hij beseft het nauwelijks. Zalig de armen van geest. Ze zijn ziedend. Ze hebben er de ganse nacht over gedaan om vanuit het land van Vlaming en Waal over te komen naar Deventer, en dan haalt die lefgozer het in zijn hoofd om hen honderdvijfentwintig ronden lang te tarten en te weerstaan. Ze verliezen de veldslag, maar nog niet de oorlog, hopen ze. Af en toe nemen ze een korte pauze, dan vallen ze niet naar beneden. Dan beraadslagen ze, overleggen ze en zoeken een nieuwe strategie. Ze bekijken hem, analyseren hem, onderzoeken zijn stijl, zijn zwakke punt. Hij is snel, heeft daardoor een hoge voetheffing, een hoge frequentie. Laten we gaan voor zijn hamstrings. Hij heeft gekozen voor een runningshort in plaats van een halftight, de dommekloot. Ze kennen er alles van, de H2O-ers. Hup, en daar gaan ze. Vanaf de onderkant van zijn zolen van zijn vrouwenschoentjes springen ze naar zijn hamstrings. Hij voelt het, maar scheurt ongestoord, ongegeneerd verder. Verstand op nul, blik op oneindig. Als een metronoom, tik-tak, tik-tak. Rechte rug, armen synchroon met de beenfrequentie. De perfectie benaderend, zich niet uit het lood laten slaan door de duizenden aanvallen op de achterkant van zijn benen. Vijfenzeventig ronden heeft hij al, regelmatig moet hij uit het ritme nu, zijn lotgenoten waarvan sommigen zich wagen aan het dubbele van de afstand die hij gekozen heeft waggelen als eens over de baan of klitten samen in trosjes. Niet dat het hem stoort, het respect is groot, ze zullen ten slotte veel langer gegeseld worden dan hij. De waterigheid begint zijn tol te eisen, ook bij hem. Zijne rozigheden zijn doorweekt en al wat er in zit, tenen incluis. De compressiesokken verliezen druk en als hij met zijn doorweekte witte handschoenen over de hamstrings aait voelt hij een onaangename spanning en voelen ze ijskoud aan. ’t Zal niet pakken, denkt hij bij zichzelf. Nog maar een ronde of vijftig een kilometertje of twintig, iets meer dan een uur en een kwart. Blijven gaan met die banaan. Focussen. Hou recht die rug, tel die passen, adem in en uit, verdomme klotedruppels, blijf van mijn hamstrings. Tachtig ronden. Zijn hamstrings vertellen hem dat ze het beu worden, hij smeekt ze nog even vol te houden. Voor de eer, de beker, de medaille, de bloemen. Een snelle tijd, het verpulveren van zijn eigen record, vorig jaar droog gelopen in de mist bij drie graden op diezelfde tartan. De bovenkamer wordt hermetisch afgesloten, niets mag er nog binnen, niets gaat er nog uit. Dag regendruppels, dag hamstrings, dag roze schoentjes, dag iedereen. De oogleden gaan op half, hij ziet alleen nog zijn klokkie en hoort het biepgeluid van de chip telkens hij de mat overschrijdt. De rest is geschiedenis. Drie uur acht minuten en negenendertig seconden voor hondervijfentwintig ronden van vierhonderd meter. Iets sneller dan de drie uur vijftien die vooropgesteld was. En dat voor een man die ’s morgens zijn eigen auto niet kon terugvinden. Zalig zijn de armen van geest.
Nen dikke proficiat voor al diegenen die de strijd tegen de regendruppels gewonnen hebben. Bedankt Deventer. |
Waterdruppels lossen het tartan en bespringen zijn door compressiesokken beschermde kuit, roepend: “ we gaan hem flikken die klootzak, hoe durft ie ons negeren, vertrappelen zo op een zondagmorgen om acht uur”. Het baat niet, hij dendert door. Onophoudelijk, met die roodroze ultradunne/snelle Adidaspantoffeltjes. Hij lijkt wel een uit de kluiten geschoten ballerina met dat nichterige schoeisel, zo lichtvoetig huppelend over die synthetische weg. Een ritme van zestien kilometer per uur, een gestamp aan een gemiddelde van één minuut dertig per baanronde.